Intermezzo (5) Interview met Fotograaf Max Dereta.

Ik zag laatst een T-shirt met ‘Too Much of Anything is Just Enough’. Dat zegt genoeg. Er is van alles veel te veel.


INTERVIEW: Huub Koch | FOTOGRAFIE: Max Dereta


Ik wordt gevraagd en wacht op telefoontjes. Ik bel niemand meer. Die tijden zijn voorbij. Vroeger had ik een heleboel avonturen in petto. Als het klaar was – of ik was zover om iets te gaan maken – dan belde ik tijdschriften, kranten of wie dan ook. – Deal. – En dan ging ik foto’s maken en werd dat werd gepubliceerd. Dat was mijn job. Zo verdiende ik geld. Die dingen doe ik niet meer, maar mijn naam is nog steeds relatief bekend. Tegenwoordig wordt ik gebeld door een totaal ander soort mensen.

Geen tijdschriften meer, maar culturele instellingen in Rotterdam. Zoals CBK, of Creatieve kwesties, Parfum de Boem Boem, omdat ik nu al achttien jaar in Rotterdam woon. Ik ben nu genoeg Rotterdammer en een Rotterdamse fotograaf geworden, dat ik nu wordt gebeld door Rotterdamse culturele instellingen. ‘Kun je dit voor ons fotograferen, of dat…’ Onthullingen van monumenten, kunstwerken of foto’s van kunstenaars. Dan belt het CBK en vraagt heb je van of over die kunstenaar iets in je archief? En zo niet, kun je dan iets nieuws maken. Dat zijn nu mijn opdrachtgevers. De beste van de afgelopen jaren. Dit jaar vier, vorig jaar acht.

Dat heeft niets meer te maken met mijn vroegere avonturen, parachutespringen, vliegen met supersonische jets, over de hele wereld zwerven. Naar de noordpool en op vele andere plekken de meest bijzondere avonturen meemaken. Ooit droomde ik daarvan, maar theater is ook mooi. Circus en kunstenaars ook. Nu is het de tijd dat ik dat soort foto’s maak. Ik vind alles boeiend wat mooi in beeld gebracht kan worden.

©MaxDereta

Beeld is beeld. Een visueel orgasme.

Ik hou van mooie beelden. Of het nu gaat om een vliegtuig – vliegen in een MIG – of een muis in het veld, een vogel, een kunstenaar, een danser, een zanger of een muzikant. Als je dat goed in beeld kunt brengen. Dus het feit dat ze mij bellen is al het bewijs dat ze voor mij kiezen. Er zijn zoveel fotografen, maar die bellen ze niet, ze bellen mij. Dus er is chemie. Dat gaat ook over communicatie. Hoe ze mij zien, hoe ik met ze praat, uitstraling. Ik denk dat ze het leuk vinden om met mij te werken. En het mooie is, ik vind het ook leuk om met hen te werken. Dat is een belangrijke basis.

Zo heb ik een paar keer meegemaakt dat ze mij kozen in plaats van een andere fotograaf die dit werk al jarenlang voor hen deed. Dus er was iets aan de hand. En later besefte ik dat mijn collega moeite had met communiceren. Een beroemde fotograaf in Rotterdam – ik heb alle respect voor zijn werk – maar communicatie met hem is altijd een beetje van Hmmm. Ooit fotografeerde ik exact dezelfde situatie als mijn collega en zijn foto’s waren absoluut beter dan die van mij. Dus mijn voordeel is die communicatieve kwaliteit, meer dan de kwaliteiten van mijn foto’s. Tegenwoordig heb je zoveel fotografen of mensen die zich fotograaf noemen. Ik ben één van de velen die met een camera rondloopt.

Wie belt mij? Dat is voor mij het belangrijkst.

Ik bel niemand, ik heb geen behoefte om te bellen. Maar de tijden zijn veranderd. Twee weken geleden was ik op het afscheidsfeestje van de hoofdredacteur van National Geographic. Wij hebben heel goed samengewerkt tien jaar lang. We hebben ook samen een reis gemaakt, dus we kennen elkaar heel goed. Op dat feest heb ik alle redactieleden weer ontmoet en dat voelde als familie. Ik heb èn voor Traveller èn voor National Geographic gewerkt. Schitterende reportages. In het buitenland en in Nederland. Op dat feest werd ook de nieuwe hoofdredacteur gepresenteerd. Met een prachtige speech, maar ik merkte dat de oude tijd van National Geographic voorbij is. Afgelopen. Nieuwe man en nieuwe ideeën – ook in handen van een nieuwe eigenaar – Murdoch, dat zegt ook veel. Maar dat is niet mijn probleem. Het voelde als het einde van een tijdperk. Dat voelt als jammer, maar – So What? – ik heb de beste tijd meegemaakt. Ik sta dus niet meer te trappelen om foto’s te maken voor National Geographic. Dat heb ik al gedaan.

Tien jaar geleden belde ik ze: ‘ik wil een afspraak met jullie maken’. ‘Oh ja, Max Dereta, uw naam kennen we’.

Hoe? Ze hebben mijn reportages gezien in Holland Herald van KLM waar ik heel veel werk heb gepubliceerd. Zelfs die paar reportages die ik in Playboy had gepubliceerd, die kenden ze ook. Ik was verbaasd om wat ze wisten van mij.

Ik kwam met een lijst van voorstellen en de eerste opdracht die ik kreeg was Kroatië, mijn geboorteland. Ze zeiden: ‘je komt op het perfecte moment. We dachten, wie gaat die reportage voor ons maken?’ ‘Jij dus. Jij bent Kroaat, dus ga lekker naar Kroatië, en schrijf ook meteen een tekst’ – Oei… moet ik een tekst schrijven? – ‘Ja’. OK.

Dus ik heb een maand gefotografeerd in Kroatië, alle kosten werden betaald, en diezelfde hoofdredacteur las de ‘draft’ van mijn verhaal en zei: ‘Poeh, dit is een goede tekst, we moeten hier en daar nog wel wat bijwerken, maar toch’. Die tekst was zelfs zo goed dat een paar mensen van de redactie van National Geographic om die reden op vakantie naar Kroatië zijn gegaan. Zo is het begonnen met National Geographic.

Daarna ging ik eerst naar landen in Azië: Laos, Vietnam, Thailand, en daarna naar Salzburg – de Mozartstad. Polen – Warschau. De Bourgogne en Catalonia, en de reis met de hoofdredacteur naar Guernsey en Sark, eilanden. Daar zou ik anders nooit naar toegaan. Maar we hebben elkaar daar wel heel goed leren kennen. Veel gepraat, al die tijd. Daarom was hij blij om me weer te zien op dat afscheid.

We hadden elkaar alweer een tijd niet gezien. Waarom?

Een paar jaar geleden kreeg ik een mail van National Geographic: ‘Max, we zijn een lijst aan het maken van vaste fotografen, en jouw naam staat niet op die lijst. Maar aarzel niet om te bellen’. En toen had ik het door, dit is het einde van mijn samenwerking met NG want ze hebben geen budget meer. Die jonge fotografen werken voor veel minder. Die willen vooral hun naam zien in zo’n tijdschrift. Maar dat doe ik niet. Als ik werk voor zo’n blad dan moet het goed betaald worden.

Dus ik belde ze en zei: ‘ik begrijp het, even goede vrienden’. Op dat feestje had ik zelfs een cadeautje bij me, een print met ‘Grover’ op Guernsey. Ken je Grover? Die blauwe muppet. Op al mijn reizen nam ik hem mee als mascotte en maakte minstens één foto van hem op al die verschillende locaties. Dat is een hele serie geworden. Hij reist altijd mee. Thailand, Cuba, Noorwegen, Guernsey en al die andere plekken. Dus die hoofdredacteur was gek op die foto. We hebben zelfs grappige filmpjes gemaakt met onze iPhones. Hij heeft die filmpjes nog steeds op zijn iPhone. Die foto hangt nu bij hem thuis aan de muur, als afdruk van een gemonteerde cover van Traveller met Grover in Guernsey. Boys en Toys.

RS4L7725

Freelancing is voor een groot deel spielerei.

Met je klanten door één deur kunnen. Het is een spel. Serieus moet je vooral zijn in een Nine-To-Five job. Een freelancer moet met humor kunnen werken, een vrijheid-blijheid sfeer in de gelederen brengen. Dat vinden ze leuk. Dus het gaat om spelend werken. Maar die reportages moeten natuurlijk wel eye-catching zijn. De verkoopcijfers moeten omhoog, dankzij zo’n reportage. Maar voor mij is dat niet meer interessant, omdat de budgetten zo heel anders zijn geworden. Tenzij het om iets heel exotisch gaat, en ik kan zeggen ‘dit is mijn prijs, take it or leave it’.

Ik ken nog één of twee fotografen die echt heel veel investeren om zulke geweldige foto’s te maken. Zij reizen de hele wereld over en gaan naar alle grote uitgevers, ook GEO in Duitsland, maar dat zijn twee of drie mensen die ik ken, die daarvan kunnen leven. Die andere honderden fotografen zijn zo goed als werkloos. Vroeger waren zij de top, in mode, in industriële fotografie, maar dat is allemaal een totaal ander prijskaartje geworden. Dus fotografie is geen goedbetaald medium meer. Niet meer zoals het was. En zo is het met alles. Ook met design en advertising. Ik zag laatst een T-shirt met ‘Too Much of Anything is Just Enough’. Dat zegt genoeg. Er is van alles veel te veel. Alles.

Teveel auto’s, teveel mensen, teveel camera’s.

Elk jaar komt er een nieuwe Nikon uit. Ik ben een Nikon-man en heb altijd een hele goede relatie met ze gehad. Het is een lange liefdesrelatie. Ik kan altijd iets in bruikleen krijgen, omdat ze me al heel lang kennen. Daarom belden ze mij of ik lezingen en workshops wilde geven vanwege het 100-jarig bestaan. Dus ik hou van Nikon, maar elk jaar iets nieuws dat is teveel. Weer drie-en-half tot vierduizend euro investeren? Dat doe ik niet meer. Ik heb zeven verschillende modellen thuis. Maar ik kap ermee.

Ik maak met de iPhone betere foto’s soms. Dat is ook veranderd. Natuurlijk, die kwaliteit van Nikon. Superieur. Maar wie heeft dat nodig? Kan je dat terug verdienen? Wie ziet het verschil nog? Het komt uiteindelijk op één conclusie neer: corporate dwingelandij. Je wordt gedwongen om een nieuwe camera te kopen. Brainwashing: deze camera is oude troep. Ik heb nog steeds de oude F. Met motordrive. Hij staat onder een glasstolp. OK, de motordrive, hij doet het niet meer, ik heb hem nogal gemarteld. Maar hij maakt nog steeds foto’s. Het is de mens achter de camera die de foto maakt, niet de camera. Dat is mijn standpunt. Klaar.

Als freelancer moet je natuurlijk alle middelen gebruiken om gezien te worden.

Alle media. Visitekaartje, website, foldertje, YouTube, Instagram, alles. Anders ben je onzichtbaar. Je moet zeggen: ‘hé ik besta nog, hier ben ik, hallo! Kijk hier, zie je me nog?’ dat is freelancing nu. Maar dat doe ik niet meer. Ik word er moe van. Dat heb ik allemaal al gedaan en we weten precies hoeveel blood, sweat en tears dat kost. Maar wat moet ik dan nu tegen een jongere generatie zeggen? Het is niet meer zo milk and honey als het was? Wat kunnen we zeggen tegen jonge ondernemende mensen?

De mentaliteit is veranderd. Alles is veranderd. Soms ben ik in situaties waar ik gesprekken beluister van jonge ondernemers, ik begrijp er geen woord van. Zij zitten in hun eigen film en ik in de mijne. En dat is OK.

Ik heb nu tijd voor dingen waar ik vroeger nooit tijd voor had. Lekker spelen met foto’s. Ik heb nog steeds rollen met film van vroeger. Een paar van die foto’s zijn toen gebruikt, maar de rest – dat is goud. Een treasure box.

Dus ik denk aan een boek maken, maar misschien ook niet. Als ik zie wat ik de laatste twee maanden heb geplaatst op Instagram, dan denk ik ‘wow, dit is echt wat’. En dan de reacties. Maar ik ben vooral geïnteresseerd in wie er reageert en hoe. Ook op Facebook, maar Facebook is een beetje een roddelsite geworden.

Instagram zegt me nu meer dan Facebook. Dus Facebook is niet dood, maar gaat door een transformatie. Niet leuk meer. De beste tijden hebben ze gehad. Ik heb er nog wel eens wat foto’s verkocht. Maar het wordt teveel gedoe. LinkedIn, Facebook, Twitter. ‘Too Much of Anything is Just Enough’. Dat is het. Dus ik besteed meer tijd aan Instagram, ik vind dat visueel boeiender, maar dankzij jou ben ik nu weer op het idee gebracht om iets te gaan doen met mijn filmpjes op YouTube.

Hier is iets gaande, maar ik ben ook steeds op zoek naar de bron van mijn vuurtje. Dat is het nieuwe tijdperk. Inspiratie.

Je moet geen tijd verliezen aan dingen die niet inspirerend zijn.

Mijn tijd is steeds meer precious geworden. Want wat is vriendschap? Wat is liefde? Mijn beste vriend is Marianne. We kennen elkaar nu vijftien jaar. We hebben een mooie LAT relatie. Het is als liefde begonnen, maar nu zijn we echt dikke maatjes. Dat is vriendschap, en zij heeft mijn leven gered.

Toen ik op een dag een probleem kreeg met mijn hart. Zij heeft de ambulance gebeld. Als zij dat niet gedaan had zou ik hier nu niet zitten. Ik zou voor haar hetzelfde doen. Geven en nemen, dat is vriendschap. Ik heb haar gebeld: ‘bel de ambulance, ik heb hulp nodig’. Dat heeft ze gedaan. Ze sprong in haar auto en kwam op hetzelfde moment aan als de ambulance. In het ziekenhuis heb ik twee stentjes gekregen, buisjes om mijn bloedvaten open te houden. Mijn hart had een probleem omdat er een bloedvat dichtzat. Dus met het hart zelf was er niks aan de hand. Alleen met de bloedcirculatie. Ze zijn met een heel dun cameraatje door dat bloedvat gegaan en hebben daar die stents geplaatst. Ik heb er twee.

‘Dus mijnheer Dereta, u blijft een week in het ziekenhuis en u stopt met roken’.

In die week heb ik met diverse patiënten op die afdeling gesproken en toen begreep ik dat mijn twee stentjes een lachertje zijn in vergelijking met hun verhaal. Sommige mensen hadden gewoon een soort rits aan de voorkant en kregen iedere paar maanden een bypass operatie. Vijf operaties had een man in die kamer gehad. Dus toen ging ik lezen en praten met mensen om me heen, en besefte ik ‘Shit, dit is serieus – als je echt een probleem hebt met je hart dan is het afgelopen met de spielerei’. Maar toen moest ik nog stoppen met roken.

Het beslissende moment was toen ik ging uitrekenen hoeveel geld ik uitgaf per jaar. Bijna drieduizend euro. Nu zou dat meer zijn. Toen besefte ik dat ik liever dood zou gaan met parachutespringen dan met roken. Springen is een Dare Devils Sport, maar roken is idioot. Een ‘Corporate Tyranny’ dood.

Ik begon toen ik twintig was. En je denkt er niet bij na. Veertig jaar. Vroeger had je Life-magazine en dat stond vol met advertenties voor sigarettenmerken – allemaal stoere jongens en mooie dames – en nu achteraf vind ik dat allemaal zo eng. Dat je zo gebrainwashed bent.

Misschien was de tabak vroeger zelfs gezonder dan nu, want al die shit die ze er nu in stoppen om je verslaafd te maken, dat is nog niet zo heel lang aan de orde. Dus ik voel me bevrijd. Al tien jaar lang. Van een verslaving die je willens en wetens is aangesmeerd.

Dat ik niet meer s’avonds om 12 uur in paniek raak, ‘Oh shit ik heb geen sigaretten meer’. Dus ik heb een hekel aan die industrie. Aan dat een regering verdient aan tabak en alcohol.

Dus dat was een wake-up call. Opeens dacht ik: ‘ik ga dood’ en lag ik om drie uur s’ochtends in een ambulance waarin ze me probeerden te reanimeren. Dan besef je dat het leven niet vanzelfsprekend is. Dat je sterfelijk bent.

Ooit was ik een week klinisch dood.

Ik was twintig of zo. Ik zat in een auto, in een combi, met andere skydivers, we gingen naar een wedstrijd parachutespringen. In een andere stad, vanaf het station richting vliegveld en onderweg gebeurde er een ongeluk.

Ik herinner me daar helemaal niets van.

Mijn film is gestopt in die combi en een week later is die film weer begonnen met draaien. Ik werd wakker in een ziekenhuis en vroeg me af: ‘wat doe ik hier in godsnaam, waar ben ik?’ En toen zag ik een verpleegster die een appel stond te eten en ik vroeg haar: ‘waar is het toilet?’ – ik moest plassen – en ze zei: ‘Oh. U bent weer wakker, kunt u lopen?’ Ik dacht ‘ja natuurlijk’, maar toen ik opstond merkte ik Hmmm, ik ben wel erg zwak. Ik liep naar het toilet en daar was een spiegel, ik zag iets in de spiegel bewegen, iemand met een witte tulband en rooddoorlopen ogen. Een vampier, hè dat ben ik? Waar ben ik? Wat is er gebeurd? Mijn ouders zaten een week lang in de wachtkamer, van de intensive care waar ik was. Na dat ongeluk waar ik niets meer van wist, en toen dacht ik opeens: ‘waar is mijn parachute?’

Zo ontdekte ik stap voor stap dat het echt een zwaar auto ongeluk was geweest. Onze chauffeur was op slag dood. Iemand anders lag verderop in een bed. Hij had net zo’n klap gehad als ik. De mazzel was dat we belandden in het beste militaire ziekenhuis dat daar vlak in de buurt van het vliegveld was. Met de beste experts, en daarom leefde ik nog. Ik was op weg naar die wedstrijd, maar na dat ongeluk kon ik anderhalf jaar niet meer springen.

Er was zelfs een psychiater die tegen me zei: ‘bel maar als je vragen hebt’. Dus ik deed rustig aan, maar op een gegeven moment had ik echt een hele lijst met vragen. De belangrijkste vraag daarbij was natuurlijk: ‘wanneer kan ik weer springen?’ Ben ik weer gezond en normaal?

Hij begon me een verhaal te vertellen over een man die in een leeg zwembad was gesprongen, maar alles kwam goed en hij functioneert weer. En toen over een andere patient die steeds maar klaagde en zei dat hij bang was om dood te gaan, en ook inderdaad dood ging.

Dus tegen mij zei hij: ‘je moet het zelf weten’.

Ik was zo kwaad, omdat hij me geen antwoord wilde geven. Ik wilde een antwoord: ‘ja, jij kunt springen, je bent weer OK’. Maar hij zei: ‘je moet het zelf weten’. En toen besefte ik – inderdaad – iedereen is de regisseur van zijn eigen film. En dat was de grootste ontdekking van mijn leven, dankzij dat auto ongeluk. ‘Je moet het zelf weten’. Ik bepaal wat ik doe.

En die ‘ik’? Dat is Max Dereta.

HUUB KOCH


About Huub Koch at Now or Never


VOLGEND HOOFDSTUK >


Advertenties

4 gedachten over “Intermezzo (5) Interview met Fotograaf Max Dereta.

  1. Max Dereta en 39 anderen vinden dit geweldig. 7 opmerkingen. 2 keer gedeeld.

    Like

  2. Leon van Bokhorst liked your post.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close